Verschillende vijfhoekige patio’s in de structuur van het gebouw symboliseren de stiltes in de muziek van Pärt. De zuilen hebben verschillende diktes, zoals de bomen in een bos.
In zijn beginjaren componeerde Pärt voornamelijk modernistische seriële werken. Na Credo (1968), een compositie waarin hij zich tot de Orthodoxe kerk bekende, botste hij met de atheïstische Sovjetautoriteiten en mocht zijn werk niet meer uitgevoerd worden. Daarna kwam hij in een impasse terecht. Hij zweerde zijn eerdere muziekstijl af en belandde in een creatieve crisis die acht jaar zou duren.
Hij smeet zich in een intensieve studie van Gregoriaanse en middeleeuwse muziek en ontwikkelde uiteindelijk een eigen stijl die hij ’tintinnabuli’ noemde, wat in het Latijn ‘kleine belletjes’ betekent. Tintinnabuli combineert twee monodische muzieklijnen: een melodische lijn en daaronder een triade lijn van telkens 3 noten. Het is geconcentreerde muziek, alleen het aller essentieelste blijft behouden.
Voor Pärt staat de melodische stem voor de zonden die hij beging, terwijl de triade lijn eronder die zonden vergeeft en wegvaagt.
De ‘formule’ die Pärt aan tintinnabuli toekende is 1+1=1. Dat wil zeggen: er is een inherente dualiteit, maar de twee componenten vormen een onafscheidelijk geheel. Het is de hoorbare expressie van het tijdelijke en het tijdloze, het lichamelijke en geestelijke, het subjectieve en objectieve, het aardse en hemelse, het negatieve en positieve, het dynamische en statische.
Pärt voelt zich verantwoordelijk voor de impact van zijn muziek op de geest van de toehoorder. Daarom overweegt hij iedere muzikale beslissing heel diepgaand.
Bekende voorbeelden van Tintinnabuli zijn Für Aline, Fratres, Tabula Rasa en Spiegel im spiegel.